Hoofdstuk 1
Cardiotocografie: omschrijving en toepassing
1.1 Definitie
Bij het cardiotocogram (CTG) worden gelijktijdig de foetale hartactie (cardio) en de uterusactiviteit (toco) geregistreerd. De foetale hartfrequentie wordt uitwendig geregistreerd met een ultrasound-transducer, of inwendig door middel van een spiraalelektrode op het voorliggend deel van de foetus. Uterusactiviteit wordt uitwendig geregistreerd door de tocotransducer waarin zich een drukgevoelige sensor bevindt, of inwendig met een drukkatheter die via vagina en cervix tot in de amnionholte wordt gebracht.
1.2 Doel
Op basis van de registratie van het foetale hartfrequentiepatroon en de moederlijke uterusactiviteit wordt informatie verkregen over de conditie van de foetus. Met behulp van drukmeting wordt een redelijke tot goede indruk verkregen van de kracht, frequentie en duur van de uteriene contracties.
1.3 Indicaties
Een CTG wordt gemaakt in opdracht van de arts of volgens geldende protocollen en/of handleidingen. In de meeste gevallen zal een CTG vanaf 25-26 weken zwangerschap gemaakt worden, omdat dan interventie op basis van foetale conditie en levensvatbaarheid overwogen kan worden. Indicaties om een CTG te maken zijn: een abnormaal verloop van de baring, verdenking op foetale nood, foetale problemen en maternale aandoeningen.
1.4 Uitvoering
Over het algemeen wordt een CTG gemaakt door een O&G verpleegkundige. Zij is door haar verpleegkundige vervolgopleiding bevoegd om met het CTG te werken. In sommige gevallen wordt een CTG ook gemaakt door anderen. Zij zullen zich bevoegd moeten laten verklaren, zonodig na een bij-scholing.
Deze handleiding richt zich op de O&G verpleegkundige.