Hoofdstuk 4
Verantwoordelijkheid
Inleiding
De verantwoordelijkheid van O&G verpleegkundigen ten aanzien van het maken en observeren van het CTG valt uiteen in een aantal aspecten:
- Het verwerven en onderhouden van de eigen deskundigheid
- Zorgdragen voor de fysieke aanwezigheid van registratieapparatuur en toebehoren
- Het op de juiste manier aansluiten van het CTG-apparaat en zorgdragen voor een optimale re-gistratie
- Het signaleren van afwijkingen in het CTG ten opzichte van vastgestelde normaalwaarden;
- Het tijdig en adequaat overdragen van deze gegevens aan de arts.
Hieronder volgt een toelichting op elk van deze aspecten.
4.1 Het verwerven en onderhouden van de eigen deskundigheid
De O&G verpleegkundige dient zich ervan te vergewissen dat zij voldoende bekwaam is om een CTG te maken, te beoordelen en te interpreteren, alvorens de handeling uit te voeren. Hiervoor heeft zij nodig:
- Inzicht in de werking van het CTG-apparaat resulterend in een CTG-registratie
- Inzicht in de pathofysiologie van de uterusactiviteit en de foetale hartfrequentie
- Vermogen tot interpretatie van patronen van de uterusactiviteit en de foetale hartfrequentie
- Kennis van beïnvloedende factoren van de uterusactiviteit en de foetale hartfrequentie
- Kennis van beoordelingscriteria en classificatiesystemen van het CTG
De O&G verpleegkundige is verantwoordelijk voor het up-to-date houden van deze kennis. Dit kan door periodieke (bij)scholing, het volgen van klinische lessen en het nabespreken van casuïstiek met vakgenoten en andere disciplines.
4.2 Zorgdragen voor de fysieke aanwezigheid van registratieapparatuur en toebehoren
De O&G verpleegkundige is verantwoordelijk voor het dagelijkse beheer van de CTG-apparatuur. Zij zorgt daarom voor het schoonhouden, aanvullen en veilig opbergen van de CTG-apparatuur. Daarnaast heeft zij tot taak bij een defect de verantwoordelijke technisch ondersteunende dienst te waarschuwen. De beschikbaarheid van CTG-apparatuur moet gegarandeerd zijn binnen een obstetrische setting. Toch kan het voorkomen dat op een bepaald moment meer zorgvragers zijn dan beschikbare apparatuur. De O&G verpleegkundige stelt in die situatie prioriteiten en bepaalt welke zorgsituatie direct CTG-bewaking nodig heeft. Dit wordt gerapporteerd met reden van prioriteitstelling.
4.3 Het op de juiste manier aansluiten van het CTG en zorgdragen voor een optimale registratie.
Het op de juiste wijze aansluiten van de CTG apparatuur is van groot belang voor een optimale registratie. De O&G verpleegkundige is verantwoordelijk voor het op correcte wijze aanbrengen van de uitwendige bewakingsapparatuur bij de zorgvrager. Ook is zij verantwoordelijke voor het aansluiten en instellen van het CTG-apparaat volgens een vaste procedure. Daarnaast dient de O&G verpleegkundige ervoor te zorgen dat de zorgvrager de juiste houding aanneemt voor een optimale registratie: dit betekent halfzittend of in linkerzijligging.
4.4 Het signaleren van afwijkingen in het CTG ten opzichte van vastgestelde normaalwaar-den
De O&G verpleegkundige is verantwoordelijk voor het met regelmaat observeren van de CTG-registratie. Over de frequentie waarmee de O&G verpleegkundige het CTG observeert kunnen op de afdeling afspraken worden gemaakt (zie ook 5.2). Doel is om tijdig afwijkingen in het CTG te signaleren. De O&G verpleegkundige dient bij het beoordelen van het CTG op afwijkingen gebruik te ma-ken van vastgestelde normaalwaarden. Deze normaalwaarden dienen bekend te zijn bij alle zorgverleners die verantwoordelijk zijn voor het maken van een CTG.
4.5 Het tijdig en adequaat overdragen van gegevens aan de arts
Een CTG-registratie wordt beoordeeld door een arts. De O&G verpleegkundige is daarbij verantwoor-delijk voor het tijdig en adequaat overdragen van de gegevens die zij door middel van het maken van een CTG-registratie heeft verzameld. Zij informeert de arts niet alleen over de gegevens die op de CTG-registratie te zien zijn, maar ook over de situatie waarin de zorgvrager zich bevindt.
De O&G verpleegkundige bepaalt de mate van urgentie waarmee het CTG door de arts dient te worden beoordeeld. Een hulpmiddel voor het bepalen van de mate van urgentie wordt gegeven in hoofdstuk 6.
Voldoet het CTG aan de vastgestelde normaalwaarden, dan behoeft het CTG niet direct te worden gezien door de arts; beoordeling kan later plaatsvinden. Wanneer echter beoordeling van het CTG door de arts urgent is, dient de O&G verpleegkundige de arts zo spoedig mogelijk te informeren. Hierover worden op instellingsniveau verantwoorde afspraken gemaakt.